Maandag om 1 uur moest ik er zijn, Op de Zelhemseweg 24, om de grote reis te beginnen. voor de zekerheid was ik er om half een al. Gebracht door ma. Het enige wat er stond was een vrachtwagen en een nieuwbouwloods, die helaas op slot was. De zon brandde lekker aan de hemel. Het was een prachtig helderblauwe hemel‚ ”Ik hoop, dat die het mooie weer niet achter me laat”. Mijn rugzak zette ik tegen de vrachtwagen aan en ik ging aan de overkant van de weg naast het r.k.-kerkhof in het gras Iiggen genieten van dit prachtig weer en van de bouwvakkers aan de overkant die druk bezig waren met schaften. Om de vijf minuten kwam er een auto of een fiets voorbij. Telkens weer dacht ik: “Dat is hem“, maar even zoveel keren, minus een keer kwam ik er bedrogen van af. Om tien voor een kwam een kleine groene Fiat voorrijden en stopte. Een man in korte broek en licht groen T-shirt stapte uit en liep naar de andere kant van de wagen om zijn hoog zwangere vrouw bij het uitstappen te helpen. Ze wisselden een paar zoenen gemengd met afscheid ’s woorden uit en gingen toen ieder hun weegs. Zij reed weer weg en hij liep naar de vrachtwagen en ik begreep‚ dat mijn tijd gekomen was. ik liep op hem af en stelde me voor. Hij heette Henk, was rond de dertig jaar oud en reed al twee jaar voor deze baas. Erg veel meer ben ik niet van hem wijs geworden‚ want erg spraakzaam was hij niet, dus ik ook niet. Ik ben natuurlijk wel wat wijzer geworden over de route en de tijd die we er over zouden doen. Daar zou ik toch te zijner tijd achter komen, maar toch een nuttige informatie. Je kon je er wat op voorbereiden en dat was soms wel nodig.

Nadat ik al mijn spullen op de slaapbank had gelegd vertrokken we‚ precies om een uur. Het was een grote oplegger. Helemaal wit met het nummerbord als enige kenteken. De cabine was behoorlijk ruim en scheen nog ruimer toen ik er achter kwam hoe de stoel naar achteren moest. Met mijn knieën bleef ik echter tegen de voorrand een stoten zodat ze nu zo‘n 800 km (= 12 nu:) erg gevoelig waren. Je kon je benen wel over elkaar doen, meer dat had weinig zin, Je kwam dan met je knie ergens anders tegen aan. De deur. Het zat heel ruim vergeleken bij de vorige keer toen ik naar Parijs ging, Toen zagen we met z’n drieën in een kleinere cabine en moest een van een beiden op het bed liggen of op de motorkap tussen de twee stoeien in zitten. Het is wel heel wat anders dan een personenauto. Het optrekken is moeilijk. De ene versnelling na de ander moet er aan te pas komen om de 20 ton in beweging te krijgen. Tien versnellingen had dat ding, vijf voor de vlakke weg en via een schakelaar vijf voor de bergen.

Het eerste stuk reden we over een binnenweg met een bomenrij aan weerszijden er langs heen lopend. Hoe het kan weet ik niet, maar het van mogelijk ons te passeren. Wel moesten er dan de nodige voorzorgsmaatregelen genomen worden; afremmen en in de berm gaan rijden. Vlak voor de Duitse grens werd de weg wat breder. Nu kon je vanaf de brug van het slagschip een stukje nog naast Je waarnemen. Bij de Duitse grens duurde het gelukkig niet lang. Maar een uur. Een domme geüniformeerd douanebeambte kwam om de vrachtwagen heen lopen om aan de deuren een touw met een loodje vast te maken. Het lukte hem natuurlijk niet en moest geholpen worden. Nu begon het rijden pas goed, zes uur achter elkaar totdat we op een raststätte gingen eten. Hoe Henk het vol hield weet ik niet, maar onderweg viel ik telkens in slaap. Weer zes uur later, ’s nachts om twee uur waren we aan de Oostenrijkse grens waar we wachtten tot ‘s ochtends zeven uur toen het open ging. Het slapen in de wagen viel best mee. Voor München kroep ik in de kooi en werd ‘8 ochtends pas om half zeven weer wakker.